De vereniging
Artikelen
Aquarium beginnen
Vissoorten
cichliden
maanvis
discus
labyrintvissen
tandkarpers
karperzalmen
Planten
De vijver

Cichliden

Cichliden (Bonte Baarzen):
Het verspreidingsgebied ligt in Midden- en Zuid-Amerika en in Afrika (incl. Madagaskar.) In het Aziatische gebied komen slechts twee soorten voor.
De lichaamsvorm van de ca. 800 soorten is erg verschillend: van slank en langgerekt tot hoog en schijfvormig, maar altijd zijdelings samengedrukt.
Ze hebben een rugvin met een hard en zachtstralig gedeelte; meestal prachtig gekleurd.

Over het algemeen voeden de vissen zich met dierlijk materiaal; er zijn echter ook soorten die plantenkost eten.
Talrijke soorten verdedigen een territorium, hetzij permanent, hetzij alleen gedurende de voortplantingstijd.
Verdediging tegen soortgenoten gaat eigenlijk altijd volgens vaste patronen.

 Alle cichliden oefenen broedzorg uit.
Dit houdt in dat ze hun eieren en jongen goed verzorgen.
De eieren worden bij de vrijbroeders op een open substraat gelegd (stenen, boomwortels, planten of zelf gegraven kuilen).
De holenbroeders leggen hun eieren in holen. De eieren worden op een van tevoren schoongemaakte plaats gelegd en kleven daaraan vast.
Ze worden door de ouders met behulp van waaierende bewegingen van de borstvinnen steeds van vers water voorzien.
Beschimmelde eieren worden verwijderd.
De uitgekomen larven worden door de ouders in de bek genomen en naar een van tevoren gegraven kuil overgebracht, waar zij verblijven tot de dooierzak is opgeteerd. De vrij zwemmende jongen blijven in een school bij elkaar en worden door de ouders begeleid.

De communicatie tussen ouders en jongen geschiedt door bepaalde bewegingen van vinnen en lichaam. Ook onderdelen van het kleurpatroon van de ouders spelen een rol. De muilbroeders nemen de eieren direct na het leggen in de bek. Bij sommige soorten, zoals de geslachten Haplochromis en Pseudotropheus neemt het wijfje (soms ook beide ouders of het mannetje alleen) de eieren zo snel in haar bek, dat het mannetje geen gelegenheid heeft hen te bevruchten.
De bevruchting heeft plaats in de bek van het wijfje. Zij hapt na het ophappen van het ei, naar eivormige vlekken in de aarsvin van het mannetje. Op dat moment zal hij zijn zaad lozen.
De eieren ontwikkelen zich in de bek van het wijfje en gedurende deze tijd neemt zij geen voedsel tot zich. Nadat de larven zijn uitgekomen, verlaten zij de bek van de moeder, maar keren daar de eerste tijd bij gevaar en gedurende de nacht weer in terug.
Bij verschillende muilbroedende soorten verblijven de larven na het uitkomen nog tot ca. 4 weken in de bek en groeien daar dankzij een grote dooierzak uit tot ca. 1 cm grote visjes. Na het verlaten van de moederbek worden zij meteen zelfstandig en worden zij niet verder door het wijfje verzorgd. De hoogste vorm van broedverzorging treedt op bij de discusvissen uit Zuid-Amerika.

 De jonge larven van deze soorten voeden zich de eerste weken van hun    bestaan met een huidafscheiding van beide ouders.

In minder sterke mate gebeurt dit ook bij de oranje cichlide (Etroplus maculatu) uit India en Sri Lanka. Snelle evolutie. In de meren van Oost-Afrika komen talrijke endemische cichlidensoorten voor. In deze meren hebben de Cichliden door het vrijwel ontbreken van andere vissoorten een geheel eigen ontwikkeling doorgemaakt. Zo treft men daar nu o.m. algeneters, planteneters, insecteneters, schubbeneters en visseneters aan. Er is zelfs een soort die zich specialiseert in het eten van ogen van andere vissen. Het 10 miljoen jaar oude Tanganyikameer bezit ca. 170 endemische soorten cichliden, het Malawimeer (2 miljoen jaar oud) ca. 250 en het Victoriameer zelfs meer dan 300. De Cichliden hebben dus in deze drie meren een snelle, succesvolle evolutie doorgemaakt en deze ontwikkeling is nog steeds in volle gang.
De unieke cichlidenbevolking van het Victoriameer wordt echter bedreigd door de ca. 25 jaar geleden uitgezette roofvis nijlkakap, Lates niloticus, meestal nijlbaars genoemd, maar deze naam is gereserveerd voor Tilapia nilotica. De nijlkakap heeft in het noordoostelijke gedeelte van het meer reeds vrijwel alle endemische cichliden uitgeroeid. De Cichliden vormen een belangrijke groep aquariumvissen. Veel aquariumhouders specialiseren zich in het houden van deze dieren (vooral discusvissen, dwergcichliden, Malawi- en Tanganyikacichliden.)

Over het algemeen zijn ze niet moeilijk te houden en gaan ze gemakkelijk tot voortplanting over. Voor de soorten uit extreme milieus moet de watersamenstelling van het natuurlijke biotoop benaderd worden. Vooral de grotere soorten woelen de bodem zodanig om, dat een normale aquariumbeplanting niet mogelijk is. Andere zijn zo roofzuchtig, dat zij alleen met even grote of grotere vissen gehouden kunnen worden.
Zij zijn dus niet geschikt voor gezelschapsaquaria.
Dwergcichliden van de geslachten Pelvicachromis, Pelmatochromis en Nanochromis (Afrika) en Apistogramma, Crenicara Nanacara (Zuid-Amerika) zijn dat wel.
Andere bekende geslachten waarvan vertegenwoordigers veel in aquaria worden gehouden, zijn: Aequidens, Cichlasoma, Geophagus, Pterophyllum en Symphysodon uit Zuid- en Midden-Amerika en Haplochromis, Aulonocara, Julidochromis, Pseudotropheus, Tropheus Labeotropheus uit de Oost-Afrikaanse meren.



naar boven