De vereniging
Artikelen
Aquarium beginnen
Vissoorten
cichliden
labyrintvissen
tandkarpers
karperzalmen
L_nummers
Planten
De vijver

Vissoorten

 

 

BOUW VAN DE VISSEN

Vroeger werden wel tot de Vissen gerekend de nu nog levende Rondbekken en de uitgestorven Pantservissen; deze vormen nu samen de superklasse Kaaklozen van de Gewervelde dieren.

Bouw

Het skelet is bij de Kraakbeenvissen in aanleg kraakbenig en blijft dit. Bij de Beenvissen treedt verbening op. De schedel heeft een boven- en onderkaak, die meestal beweeglijk met de schedel verbonden zijn. De tanden kunnen ontbreken, bijv. bij de Karpers, maar kunnen behalve op de kaken ook op vele schedelbeenderen en op de tong voorkomen. Bij de Karpers vindt men keeltanden.

De Haaien en Roggen hebben placoïdtanden op de kaken, die de bouw hebben van de tand op de placoïdschubben. De tanden kunnen zijn: klein, raspvormig, platte maaltanden of grote hondstanden.
Achter de tongbeenboog volgen de kieuwbogen, die de kieuwen dragen en aan de voorzijde kieuwboogstekels hebben, die bij planktoneters een zeefapparaat vormen.

Bij de Beenvissen is een kieuwdeksel over de kieuwholte, bij de Haaien en Roggen mondt elke kieuw door een opening naar buiten. Bij sommige groepen, bijv. Labyrintvissen en Slijkspringers, zijn de kieuwen matig ontwikkeld. De functie van ademhalingsorgaan is dan overgegaan op de huid van de mond- en keelholte. Bij de Longvissen heeft de zwemblaas de functie van de kieuwen overgenomen.

De maag en de slokdarm zijn soms moeilijk te onderscheiden. De middendarm heeft bij de primitieve vormen spiraalplooien. Achter de maag liggen vaak wormvormige aanhangsels. Bij sommige soorten en groepen ontbreekt de zwemblaas. Het hart bestaat uit één kamer en één boezem. Uit het hart loopt een slagader naar voren, met vertakkingen o.a. naar de kieuwen. De nieren liggen tegen de onderzijde van de wervelkolom. De urineleiders monden óf in een cloaca, óf in een afzonderlijke opening achter de anus uit.
De huid is in het algemeen bedekt met schubben; in de huid kunnen chromatoforen voorkomen, alsmede een zijlijnorgaan.

De voortbeweging geschiedt in het algemeen door golfvormige bewegingen van het lichaam zwemmen; bij langzame bewegingen kunnen ook de vinnen een rol spelen.

Voortplanting

Vele haaien, roggen en een aantal beenvissen zijn levendbarend, doch meestal worden eieren gelegd. De eieren (kuit) worden op de bodem, op planten of vrij in het water afgezet en dan door het mannetje met het homvocht bevrucht. Bij de levendbarende vissen heeft een inwendige bevruchting plaats.

Uit de eieren komen larven, die vaak in vorm van de volwassen dieren afwijken en een gedaanteverwisseling (metamorfose) doormaken, bijv. de larve van de paling. Bij vele soorten vissen komt een vorm van broedzorgvoor.




naar boven